Preek over Romeinen 8:15
ds. Jos Douma, Goede Herderkerk Haarlem, zondagmiddag 3
september 2006
U hebt de Geest niet ontvangen
om opnieuw als slaven in angst te leven,
u hebt de Geest ontvangen
om Gods kinderen te zijn,
en om hem te kunnen aanroepen met ‘Abba, Vader’.
--
Vlak voor mijn vakantie heeft een vriend me gevraagd: ‘Jos,
ik denk dat het goed zou zijn als jij eens wat dieper nadacht over de
vader-kind-relatie, en over het Vaderschap van God. Zou je dat willen doen?’ Ik
heb daarover ook iets in het kerkblad van de Fonteinkerk geschreven.
En ik heb het ook gedaan: nadenken over wat die vriend
noemde het Vader-kind-principe. En geprobeerd om af te dalen in de ziel. Wat
betekent het om een geliefd kind van de Vader te zijn? Waarom is het soms zo
moeilijk om te ervaren dat je geliefd bent? Wat betekent het als Jezus zegt:
‘Als jullie mij kennen zullen jullie ook mijn Vader kennen, en vanaf nu kennen
jullie hem, want jullie hebben hem zelf gezien. Wie mij heeft gezien, heeft de
Vader gezien’ (Johannes 14:7-9)? Wat bedoelt Paulus precies als hij schrijft:
‘U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als slaven in angst te leven, u hebt
de Geest ontvangen om Gods kinderen te zijn, en om hem te kunnen aanroepen met
‘Abba, Vader’’ (Romeinen 8:15)?
Nu zouden we heel snel naar die zo krachtige uitdrukking
‘Abba, Vader’ kunnen gaan. En ik zou iets kunnen vertellen over God als Vader,
en dat we Hem zelfs ‘Abba’ dat is ‘Pappa’ mogen noemen, en dat Hij van ons
houdt, en dat onze aardse vaders vaak niet aan het beeld van de hemelse Vader
voldoen, en dat God ondanks alles toch als een Vader voor ons zorgt en dat Hij
alles heeft gemaakt en alles in de hand heeft en dat we Hem zo mogen kennen. En
het zou allemaal waar zijn.
Maar dan zou ik toch
te snel gaan. Het zou de binnenbochtmethode zijn. Een manier die ook geen recht
doe aan wat Paulus zegt. Want hij spreekt eerst over angst. En daardoor kunnen
we al meteen een beetje gaan aanvoelen, dat het voor ons mensen misschien
helemaal niet zo eenvoudig is om tegen God te zeggen: ‘Abba, Vader’. Daar heb
je de Geest voor nodig. Want het vraagt van mij overgave, het vraagt van mij
dat ik ontvankelijk ben voor de liefde van de Vader. En ik weet vaak helemaal
niet of ik dat wel wil, of ik dat wel durf, of ik dat wel kan: open zijn, me
overgeven, ontvangen.
En ik zeg het nu allemaal in de ik-vorm, want het gaat ook
over hoe ik daar zelf mee bezig ben, maar ik vermoed dat ik niet alleen ben.
--
Daarom gaat het eerst over angst: ‘U hebt de Geest niet
ontvangen om opnieuw als slaaf in angst te leven.’ Dat komt veel voor: angst.
Er zijn zoveel dingen waarvoor we bang kunnen zijn.
-
Ik ben bang om te falen.
-
Ik ben bang om
betrapt te worden.
-
Ik ben bang om me over te geven aan Jezus.
-
Ik ben bang om afgewezen te worden.
-
Ik ben bang om mijn gevoelens te tonen.
-
Ik ben bang om te sterven.
-
Ik ben bang om alleen te blijven.
En er zijn heel veel manieren om die angst niet te hoeven
voelen: we kunnen heel hard gaan werken, we gaan steeds weer op zoek naar iets
nieuws, we volgen weer eens een nieuwe cursus of voeren een zoveelste zinloos
telefoongesprek.
Er is zoveel waarvoor we bang kunnen zijn. Het leven van
heel veel van ons wordt - en we zijn het ons vaak niet eens bewust - het leven
van heel veel van ons wordt beheerst door angst. Wat zou er kunnen gebeuren
als… Hoe moet het nu verder… Wat als ik een ongeluk krijg… Hoe bewaren we in
vredesnaam de eenheid in de kerk… Allemaal angsten. En onze angst leidt vaak
tot boosheid, tot wanhoop, tot onrust.
En deze angst heeft alles te maken met slavernij, met macht
die andere mensen uitoefenen over je leven. Stel dat je bang bent om afgewezen
te worden of dat je bang bent om niet
aan de verwachtingen van een ander te voldoen, dan is die ander iemand die
macht over jou heeft. Je bent zijn of haar slaaf: Wat zou hij van me vinden?
Wat zou zij zeggen? En je komt er niet meer los van en je past je aan.
Herkent u die angst?
Elke keer als we zeggen ‘ik ben bang dat…’ laten we die
angst toe in ons denken en ons voelen. Maar de Geest wil deze angst in ons
leven dus afbreken en opruimen. ‘U hebt de Geest niet ontvangen om opnieuw als
slaaf in angst te leven.’ Dat ontvangen van de Geest heeft alles te maken met de
wedergeboorte, dat je van de duisternis overgaat naar het licht, dat je van
onverschilligheid ten aanzien van Jezus komt tot diepe aanbidding van Jezus,
dat eerst niet geloofde en nu wel, dat de bijbel eerst een dor boek voor je was
en nu het levende Woord van God.
Maar als dat gebeurd is, dat je wedergeboren bent, kun je
toch nog steeds opnieuw slaaf worden, en angstig leven, omdat de tegenstander
nog altijd rondgaat. De satan is erop uit, altijd weer, om angstige mensen van
ons te maken. Dat is de geestelijke strijd die gaande is en die ik moet durven
aangaan.
Iemand - Henri Nouwen - heeft dit genoemd: leven in het huis
van de angst. Angst voor mensen, angst voor dingen die kunnen gebeuren, angst
voor de toekomst. Het huis van de angst. ‘U hebt de Geest niet ontvangen om
opnieuw in het huis van de angst te leven.’ Maar wat dan wel?
--
‘U hebt de Geest ontvangen om Gods kind te zijn.’ Blijkbaar
is het tegenovergestelde van slaaf-zijn kind-zijn. En als we nu tot ons door
hebben laten dringen dat er zoveel angst in ons leven is, kunnen we ook beter
begrijpen hoe moeilijk het is om kind van God te zijn. En dan bedoel ik niet
dat je, wanneer je angstig bent, geen kind van God meer bent, want Hij houdt je
vast ook door al je angsten heen. Maar ik bedoel wel dat het dan moeilijk of
zelfs onmogelijk is om te ervaren wat het is om kind van God te zijn.
Nu wordt in Romeinen 8:15 niet expliciet benoemd wat het
tegengestelde is van angst. De slaaf staat er tegenover het kind. Maar de
angst, waar staat die tegenover? Wat is het tegenovergestelde van angst?
We zouden kunnen zeggen: dat is vrijheid. Vrijheid is leven
zonder angst. Ergens anders zegt Paulus: ‘Waar de Geest van de Heer is, daar is
vrijheid’ (2 Korintiërs 3:17). En hij zegt ook nog: ‘Christus heeft ons bevrijd
opdat wij in vrijheid zouden leven; houd dus stand en laat u niet opnieuw een
slavenjuk opleggen’ (Galaten 5:1). Tegenover de slaaf staat de vrije. Maar toch
hebben we dan nog niet het diepste gezegd. Want in Romeinen 8 vers 15 staat de
slaaf tegenover het kind. En ons kind-zijn en Gods Vaderschap worden ook niet
het meest gestempeld door vrijheid - dat ook - maar door iets anders, wat
dieper gaat. We lezen het in 1 Johannes 4 vers 18: ‘De liefde laat geen ruimte
voor angst; volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf.
In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden.’ En om goed
te begrijpen wat er bedoeld wordt, moeten we nog even doorlezen: ‘Wij hebben
lief omdat God ons het eerst heeft liefgehad.’
--
Angst staat tegenover je geliefd voelen door God. Angst is
het tegendeel van de liefde van de Vader kennen. En dat is heel confronterend
om te horen: als ik angstig ben, als ik bang ben voor afwijzing, als ik bang
ben om te vertellen wat er echt in mij leeft, ken ik de liefde van de Vader
niet. Zijn liefde voor mij is geen werkelijkheid geworden. Zijn liefde is
natuurlijk wel echt, en ook aanwezig, ook voor mij, maar het is niet een
werkelijkheid die ik ook zo ervaar. Ik pluk er de vruchten niet van.
Je kunt praten over liefde zonder te ervaren dat je geliefd
bent, zonder deze werkelijkheid te kennen: dat de Vader onvoorwaardelijk van
jou houdt als zijn kind en dat je daarom nooit meer bang hoeft te zijn voor wat
anderen van je vinden en dat je daarom nooit meer bang hoeft te zijn om te
sterven, of om te vertellen wat er echt in je leeft, of om alleen te blijven,
want de Vader houdt van jou met een onvoorwaardelijke liefde.
Alleen het is zo moeilijk om dat te geloven. Dat de
Vaderliefde onvoorwaardelijk is. Want liefde tussen mensen is zo vaak
voorwaardelijk: ik hou van jou als jij tenminste… We moeten liefde zo vaak
verdienen. En voor we het weten is die gedachte ook doorgedrongen in onze
relatie met God.
Maar God ís liefde. Het is zijn wezen om lief te hebben. Hij
houdt niet van jou en van mij omdat Hij iets moois of aantrekkelijks in jou of
in mij ziet, maar Hij houdt van ons - onvoorwaardelijk - omdat Hij liefde ís.
En dan zijn we bij de kern van het Vaderschap van God, en
bij de kern van het kind-zijn. De Vader-kind relatie wordt gekenmerkt door Gods
onvoorwaardelijke en eeuwige liefde die ik alleen maar hoef te ontvangen.
Maar juist dat is zo moeilijk. Want we leven in het huis van
de angst. En leven met de Vader is leven in het huis van de liefde. Dat huis is
ons vreemd - dat moeten we erkennen als we tenminste de realiteit van de zonde
in ons leven erkennen. Het huis van de liefde is ons vreemd. Het is een heel
proces om ons daar thuis te leren voelen. En alleen door de Geest zal het
gebeuren. Want we ontvangen de Geest om ons te brengen van het huis van de
angst naar het huis van de liefde, het huis van de Vader, het huis waar we echt
thuis zijn, waar we zeggen: ‘Abba, Vader.’ Dat zijn geen woorden die je zomaar
kunt uitspreken. Dat is een manier van leven die eindeloos diep gaat: het leven
waarin we niet meer angstig zijn, omdat we ons geliefd voelen door de Vader.
En ik denk dat we hier allemaal wel iets van herkennen:
geloven is heen en weer pendelen tussen het huis van de angst en het huis van de
liefde, heen en weer tussen de vader van het licht en de vader van de leugen,
heen en weer tussen angst en vrijheid. En steeds opnieuw is de vraag: Hoe kom
ik in het huis van de liefde? Hoe leer ik met heel mijn ziel ‘Abba, Vader’
zeggen?
We leren dat alleen maar als we naar Jezus gaan. We leren
dat als we aan zijn voeten gaan zitten en ons door Hem laten onderwijzen. We
leren dat als we ons door Hem laten omhelzen, want Hij drukt ons aan het
Vaderhart van God. En de geestelijke strijd die we voeren draait ten diepste
hieron: durf ik mij over te geven aan de onvoorwaardelijke liefde van
Abba-Vader?
--
Vanmiddag vieren we het Avondmaal. Dat is een maaltijd die
alleen tot haar recht kan komen in het huis van de liefde. En dan doet zich een
vraag voor die we moeten beantwoorden. Is de kerk, is onze gemeente ‘huis van
de liefde’? Ik heb wel eens de indruk dat juist in kerken zoveel angst is.
-
Angst om de controle te verliezen.
-
Angst om echte verbondenheid te zoeken.
-
Angst om Jézus Heer van de kerk te laten zijn.
-
Angst om de Geest te laten waaien.
-
Angst om los te laten.
-
Angst om ontvankelijk te zijn.
-
Angst om af te wijken van de traditie.
-
Angst om in de vrijheid van Christus te gaan staan.
-
Angst om onze zonden te belijden.
-
Angst om de geestelijke strijd die we voeren met elkaar te
delen.
‘In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid
geworden.’
Al die angst duidt op gebrek aan liefde. Ook bij mij. Het
duidt op het gebrek aan het kennen en erváren van Gods liefde. Het duidt op een
gebrek aan Christuskennis. Want de weg van het huis van de angst naar het huis
van de liefde is: Christus alleen. Hij zegt: ‘Ik ben de Weg, de Waarheid en het
Leven. Niemand komt bij de Vader dan door Mij’ (Johannes 14:6). Nooit zullen we
de Vader echt kennen als we ons niet laten omhelzen door Jezus.
En juist dat mogen we oefenen en ontvangen in de viering van het Avondmaal. Deze viering vormt het huis van de angst om in het huis van de liefde: dat we ervaren onvoorwaardelijke bemind te worden door de Vader van Jezus Christus. En als u straks brood eet en wijn drinkt, laat deze gebedswoorden dan in uw gedachten en uw hart zijn: ‘Ik wil wonen in het huis van de liefde.’
De kerk kan weer huis van de liefde worden als ieder van ons
persoonlijk leert om te wonen in het huis van de liefde, als iedereen
persoonlijk Christus omhelst en nooit meer genoeg van Hem kan krijgen.
--
Broeders en zusters, vergeet het niet: ‘U hebt de Geest
ontvangen.’ We hoeven het niet zelf te doen. Alleen maar de Geest laten werken.
Laten we bidden…
Handreiking voor de liturgie:
Psalm 84:1,3
Gebed
Schriftlezing Romeinen 8:12-17
Psalm 103:3,5
Preek over Romeinen 8:15
Gebed
Liedboek Gezang 239:3,4,6,7
Dankzegging
Collecte
Liedboek Gezang 320:3,4